Legends Trail verslag door Thijs van Werde

Legendstrail 2026 19/02 – 23/02

De voorbereiding op de Legends Trail verliep een stuk vlotter dan die voor de Bello Gallico. In januari liep ik elk weekend een ultra samen met Kristof. We verkenden stukken van het parcours, testten onszelf en speelden ‘rode lantaarn’ tijdens de Ferme Toer Trail . Momenten waarin we alles gekscherend op de proef stelden. Fysiek voelde ik me sterk en ook mentaal zat alles helemaal goed. Met de Tank wist ik dat ik over voldoende tools beschikte voor wanneer het onderweg wat minder zou gaan, of als er onverwachte problemen opdoken. Tank nam de tijd om mijn materiaal nog eens grondig te controleren, zodat niets over het hoofd zou worden gezien. En van Lieven kon ik nog een aantal verplichte spullen lenen. Zo voelde ik me goed voorbereid en zelfverzekerd, klaar om het avontuur aan te gaan.

De dag voor de wedstrijd, terwijl ik mijn trailvest aan het inladen was, scheurde plots de rits ervan af. Eigenlijk een geluk bij een ongeluk, want dit wil je absoluut niet meemaken tijdens de Legends Trail.
Bij Runnerslab kon ik gelukkig nog snel een nieuwe vest kopen. Helaas bleek het nieuwe model toch niet helemaal hetzelfde te zijn. Ik moest kiezen tussen het compartiment voor de camelback of de extra skin. Uiteindelijk koos ik voor de camelback, want onderweg ben ik een stevige drinker. Organisatorisch was dat wel even aanpassen. Veel handelingen zijn ondertussen een automatisme geworden, en plots voelde niet alles meer zo vertrouwd aan.

Donderdagavond om 18 uur was het dan zover: destart van een bizar avontuur.
Ik vind het moeilijk om mijn verhaal te schrijven en te delen. Wat ik de afgelopen drie dagen en vier nachten heb meegemaakt is eigenlijk met geen woorden te beschrijven. De grenzen tussen droom en werkelijkheid, tussen gezond verstand en waanzin vervaagden volledig. Van de 85 uur koers heeft mijn brein uiteindelijk maar een handvol momenten echt onthouden.

Het eerste gedeelte van de Legends Trail zou zogezegd het “gemakkelijkste” zijn. Daarna zou het alleen maar zwaarder worden. Als je weet dat we startten met het moeilijkste stuk van de Great Escape Trail, dan besef je meteen dat het nog een loodzware tocht zou worden. De eerste kilometers gingen nochtans vlot. Het lichaam voelde sterk, het ritme zat goed en de Ardennen leken nog beheersbaar. Samen met Kristof zetten we er meteen een stevig tempo in. Tot rond kilometer 20 één van mijn trailstokken het begaf. Vanaf dat moment moest ik nog 42 kilometer afleggen tot CP1 met slechts één stok. Pas daar kon ik de reservestok van mijn makker Kristof lenen. Toen we aankwamen aan het checkpoint in Nadrin hadden we 6 uur en 22 minuten marge op de cutoff.

Na CP1 doken er stukken van het parcours op die we tijdens de trainingen al eens hadden verkend. We vonden vlot ons ritme en het gaf meteen een vertrouwd gevoel. Door de sneeuw ploeteren en door ijskoud water waden, het hoorde er allemaal bij en kon onze pret absoluut niet drukken.



Op CP2 hadden we zelfs 9 uur voorsprong op de cutoff. Daar kwam ik plots een paar enthousiastelingen van D+ Dinsdag tegen. Hun energie spat er altijd af en werkt meteen aanstekelijk. Het deed echt deugd om die toffe bende weer tegen het lijf te lopen en even samen te lachen en bij te praten. Ook mijn coach Frank was van de partij. Voor we weer verder op pad gingen, moest Kristof er nog even aan geloven: Frank onderwierp hem aan een hele reeks vragen voor een of ander verslag. Het was duidelijk dat hij zijn journalistieke moment niet wilde laten voorbijgaan.
Ik at goed, laadde mijn elektronica op, nam een recovery shake en wisselde van kleren. Ze verklaarden me een beetje gek dat ik nog steeds in korte broek liep, want ondertussen had het al niets anders gedaan dan geregend. Voor mij voelde dat echter logisch want met een korte broek loop ik minder risico om het koud te krijgen van natte kleren. Kristof was ondertussen wat aan het rekenen. Hij vertelde dat hij graag zijn vrouw wilde zien die aan het crewen was op CP3. Op ons huidige tempo zouden we haar echter missen. Daarom besloot hij te versnellen. Omdat mijn knie begon tegen te sputteren, was dit voor mij helaas geen optie. Ik besloot hem te laten gaan en mijn eigen tempo aan te houden.

Vrijdag rond 23 uur kwam ik aan bij CP3 in Burnenville. Tegen dan begon mijn knie me serieus parten te spelen. Tank die weer aanwezig was merkte het meteen op en stuurde me naar de kinesist voor een snelle check. Die nam even de tijd om alles te bekijken en legde uit dat de pijn in mijn knie waarschijnlijk te maken had met een minder stabiel bekken. Toen hij op een bepaalde spier in mijn bekken drukte, voelde ik de pijn meteen door mijn hele linkerbeen schieten, tot diep in mijn knie. Dat maakte meteen duidelijk waar het probleem zat. Hij vertelde me dat ik niets kapot kon lopen maar dat dit wel een heel pijnlijke zaak ging worden. Ik begon me ook zorgen te maken over mijn hoofdlamp. Die werkte niet meer zoals het hoorde en ik kon enkel nog de schemerstand gebruiken. Op de meer technische stukken van het parcours was dat echt te weinig licht. Uiteindelijk besloot ik over te schakelen op mijn reservelamp. Frank de tank waarschuwde me meteen en ik moest onderweg proberen een extra lamp te regelen bij een andere loper want ik kon later nog serieus in de problemen komen. Omdat we ondertussen de tweede nacht ingingen, leek het me geen goed idee om er alleen op uit te trekken. De vermoeidheid begon ook stilaan door te wegen. Uiteindelijk besloten Mitch, Werner en ik om samen verder te gaan. Met z’n drieën de nacht in, dat voelde meteen een stuk geruster. Even voelde het veilig. Samen door de duisternis. Maar ook daar lag het tempo voor mij door mijn knie te hoog. Het pad langs het water was glad en verraderlijk, en om te kunnen volgen begon ik meer risico’s te nemen. Ik ging hard onderuit op de rotsen. Een zware val, alles deed pijn, Ik was moe, koud en het bleef maar regenen. Op zo’n moment voelt opgeven niet als zwakte. Het voelt logisch. Ik beval Mitch en Werner om zonder mij door te gaan want zij wilde tijd opofferen om op mij verderop te wachten. Terwijl ik mijn regenbroek aantrok omdat ik al een hele tijd stil zat, kwam Addie tot bij mij. Ik vertelde hem dat ik gevallen was op mijn al pijnlijke knie en ik ging opgeven. Hij gaf dat ook door aan Mitch en Werner en zij liepen verder. Wat ik op dat moment niet wist, was dat we enkele kilometers verder aan een grote weg zouden uitkomen. Daar stond een veiligheidsteam klaar, omdat ze wisten dat dit een gevaarlijk punt was, met veel river crossings en technische stukken. Zelfs bij daglicht is dit al geen evident terrein. In het donker, laat staan met een pijnlijke knie, werd het een bijzonder zware uitdaging.
Voor de start hadden Bram en Frank de Tank me één ding op het hart gedrukt: “Als je eraan denkt om op te geven, bel ons eerst.” Ik dacht terug aan hun woorden en nam mijn GSM . Dit telefoontje om 4u30 op zaterdagochtend redde mij voor de eerste maal van een DNF. Ik kreeg Bram aan de lijn.
Hij praatte het opgeven uit mijn hoofd. Hij herinnerde me eraan waarom ik daar stond. Aan wat er nog wel was, niet aan wat kapot was. Hij gaf mee dat ik nog even moest doorbijten, dat ik bijna aan een grote weg was (hij volgde mij op de tracker) en dat het terrein vanaf daar beter ging worden. “probeer het volgende checkpoint te halen, goed te eten en te rusten en kijk dan weer wat mogelijk is. Je bent echt schitterend bezig en op dit moment lig je op elfde positie en heb je tijd zat op de cutoff. Je bent veel te goed bezig om uit te stappen, als je nu stopt ga je binnen enkele uren enorm spijt hebben”. Bram navigeerde mij tot de grote baan en waar het veiligheidsteam mij al tegenmoet aan het komen waren. Zij hadden al vernomen van Addie, Mitch en Werner dat ik een serieuze val had gemaakt en in de problemen was gekomen. Na een check-up en een cola moest ik zelf de beslissing maken of ik door wilde gaan. Ondertussen had ik Bram nog aan de lijn en hij zij dat ik de juiste keuze had gemaakt.

Wat volgde bij een grijze zonsopkomst was een regelrechte zeikdag in de Hoge Venen. Water en sneeuw overal, eindeloze modder, en soms leek zwemmen logischer dan lopen. Elke stap zoog energie uit mijn lijf en de omstandigheden waren werkelijk hels. Omstreeks 10u30 bereikte ik eindelijk het tijdsregistratietentje boven op de Baraque Michel. Daar stonden mijn ouders weer. Hun aanwezigheid een klein lichtpuntje in de somberheid van de dag. Ik vertelde hun dat ik een verkeerde beslissing genomen had door gewicht uit te sparen op warme kleding. Ik was compleet doorweekt en onderkoeld. Eerst probeerde ik me op te warmen met een tas dampende soep en de warmte van de kookpot boven het gasvuurtje. In dat kleine tentje voelde het even bijna behaaglijk. Maar zodra ik weer naar buiten stapte kreeg ik een ijzige klap van de kou. Mijn hele lijf schreeuwde om in de warme auto van mijn ouders te kruipen, maar mijn hoofd verzette zich. Opgeven of schuilen was geen optie. Er was maar één manier om weer warm te krijgen en dat was blijven lopen. Van de crew hoorde ik dat Merijn op ongeveer een kwartiertje van mij zat. Omdat ik ondertussen al meer dan vijf uur alleen had gelopen, besloot ik even te wachten. Een beetje gezelschap kon wonderen doen en de rest van het traject wellicht draaglijker maken. Maar ook dat liep anders dan gehoopt. Toen Merijn arriveerde en weer vertrok, merkte ik al snel dat ik zijn tempo niet kon volgen. Hoe graag ik het ook wilde, ik moest hem laten gaan. En zo trok ik opnieuw alleen verder een nieuwe dag tegemoet door enorme moerassen op hoge plateaus die weinig bescherming bieden tegen de weersomstandigheden. Het probleem was dat het gebied volledig was ondergesneeuwd en dat was beginnen dooien waardoor ik nog langzamer werd en zo de blootstelling aan de kou nog groter werd. Rond het middaguur kreeg ik een telefoontje van de coach. Hij had mijn noodtelefoontje gemist, maar vertelde dat hij trots was dat ik was blijven doorgaan en dat ik de juiste keuze had gemaakt. Tegelijkertijd kwam het bericht dat Kristof een harde val had gemaakt en moest uitstappen vanwege hevige rugpijn. Ook Filip had in de nacht een lelijke val gemaakt en zijn bril verloren. Hij keerde terug toen het licht werd om zijn bril te zoeken, maar tevergeefs. Ook hij moest uitstappen. Tank wilde me nog één belangrijk weetje meegeven: over het stuk waar ik me nu bevond, had de koploper van de wedstrijd meer dan tien uur gedaan. Dat voorspelde weinig goeds… maar het was ook een moment om mezelf te wapenen, mentaal voor wat nog moest komen. Het parcours bleef ongenadig. Riviertjes die hard stroomden moesten één voor één worden overgestoken en eindeloze, oneffen vlaktes lagen voor me. Bij elke stap begonnen mijn voeten meer en meer pijn te doen. Het grappige was wel dat het leek alsof mijn coach mij aan het achtervolgen was, ik kon zijn voetstappen horen. Maar als ik achterom keek zag ik niemand. Ik was blij toen ik eindelijk uit die vlaktes was. Na een stevige afdaling waarbij de pijn in mijn knie bijna ondragelijk was geworden, viel er toch een klein lichtpuntje te noteren. Ik bereikte rond 17u30 Chalet du Pont de Belleheid. Helaas was de keuken gesloten en een warme maaltijd zat er niet in. Doorweekt probeerde ik er even te rusten, de batterijen van mijn gsm, hoofdlamp op te laden en mijn kleren droog te krijgen. De eigenaar van de chalet keek met zoveel bewondering en medeleven naar mij dat hij spontaan een broodje kip van het huis voor me maakte. Vol dankbaarheid, een beetje warmte en hernieuwde energie vertrok ik weer, aangesterkt en vol goede moed, klaar om de volgende kilometers aan te pakken.

Zaterdag om 21u kwam ik compleet uitgeput en zonder iemand tegen te hebben gekomen aan op CP4. Niet alleen mijn ouders maar ook Nathalie, Myriam en Bram stonden aan dat punt mij op te wachten. Hun aanwezigheid gaf meteen een kleine boost. Helaas was er niet veel communicatie meer mogelijk. Ik schrokte mijn eten naar binnen, liet mijn voeten verzorgen want die hadden enorm afgezien, wisselde van en naar eindelijk warme kleren en dook in mijn bivy om wat te slapen. Het plan was 45 minuten te slapen. Zodra ik me neerlegde, gebeurde er iets vreemds. Honderden willekeurige beelden begonnen door mijn hoofd te flitsen. Fragmenten, indrukken, losse gedachten, alles door elkaar, alsof mijn brein geen seconde tot rust wilde komen. Ik zweefde ergens tussen dromen en realiteit, nooit echt diep in slaap maar ook niet helemaal wakker. Dat bleef zo doorgaan tot het moment dat ze me weer kwamen wekken. En toch had dat korte moment van rust me verrassend goed gedaan. Mijn lichaam voelde net iets lichter en mijn hoofd een tikje helderder. Goed genoeg om de volgende etappe weer aan te kunnen.

In de derde nacht, na CP4 en vlak voordat we door Spa liepen, pikten Damien en Tom mij op. Ik stond stil langs het parcours, wat te prutsen met mijn horloge. Mijn navigatie skills lieten me plots in de steek. Nochtans was dit een stuk dat ik eerder al eens met Kristof had gelopen, maar op dat moment leek alles plots minder vanzelfsprekend. Voor het eerst begon ik ook hallucinaties te krijgen. In het bos leek het alsof de bomen naar me toe kwamen, me langzaam omsingelden. Het voelde vreemd en ongemakkelijk, en achteraf besef ik dat ik daar waarschijnlijk veel tijd had verloren.
Even later daalden we met z’n drieën af naar Spa. Van daaruit volgden we de rivier La Picherotte en begonnen we aan de klim richting Fagne de Malchamps. Onderweg gaf Tom me zijn reservelamp, want mijn reserve lamp was nu ook inmiddels bijna leeg. Bij het afdalen kwamen we in het dal een safety- team tegen. Daar zat Tom er ineens helemaal doorheen. Hij had het vreselijk koud en zei dat hij wilde stoppen. Ik reageerde dat dit geen optie was. Met een snelle bodyscan merkte ik dat het vooral in zijn hoofd speelde: fysiek was hij nog in orde, alleen de kou sloop er mentaal in. Ik vroeg of hij reserve warme kleren bij had, gelukkig had hij nog een droog laagje bij zich en kon hij bij het safety team een cola krijgen. Met dat kleine zetje leek hij weer op te veren. Op dat moment sloot Bernhard bij ons aan. Hij had gehoord wat er zich afspeelde en mompelde iets als: “Ik zit er ook helemaal doorheen… maar ik ga wél door.”
Ze zaten diep terwijl ik me, op dit moment fysiek sterk voelde. Maar Tom keek weer vooruit. Stap voor stap, meter voor meter, voortgedreven door doorzettingskracht en het kleine beetje steun van elkaar. We liepen een flink stuk samen, tot ongeveer kilometer 260, waar Olav zich bij ons voegde.

Tegen zonsopgang stonden we langs de rivier, zoekend naar een plek om de zoveelste oversteek veilig te kunnen maken. Het water stroomde hard, en elke stap vroeg om uiterste concentratie en voorzichtigheid. Plots zagen we een trailstok in de kant liggen. Die was duidelijk een stuk stroomafwaarts meegedreven. We hadden geen idee van wie die was, blijkbaar waren er een aantal lopers in het water gevallen bij het proberen over te steken. Even later hoorden we dat ook Kasper in het water was gevallen. Hij was daarbij onderkoeld geraakt en had uiteindelijk zijn noodstop moeten gebruiken, waardoor het safety-programma in werking was getreden. Gelukkig was er een andere loper bij hem gebleven tot het reddingsteam arriveerde. Dat besef kwam toen weer hard binnen, hoe snel het hier mis kan gaan. Eén moment van concentratieverlies, zeker na zoveel uren zonder slaap, kan al genoeg zijn om in de problemen te komen. Vlak voor La Gleize verloren Olav en ik de rest van de groep uit het oog. Ineens stonden we er alleen voor, maar gelukkig begonnen de eerste zonnestralen de omgeving te verlichten. Rond 12 uur naderde ik eindelijk Lorcé. Mijn hoofd was verre van helder; slaaptekort knaagde aan mijn concentratie en geheugen. Wat er die ochtend precies gebeurde, is voor mij nog steeds een raadsel, een gat dat ik nog niet heb kunnen invullen. Wat ik wél weet, is dat er iemand te weinig eten bij zich had en een hongerklop kreeg. Ik gaf een groot deel van mijn eigen voedsel weg, waardoor ik zelf ook tekortkwam.

Bij het tijdsregistratiepunt chez Ingo (4.1) voelde ik een enorme opluchting. Mijn gsm was defect door de regen, de batterij van mijn hoofdlamp moest dringend opgeladen worden, mijn energievoorraden aangevuld. Ondertussen werden er aan de lopende band croque monsieurkes voor me gebakken zodat ik genoeg voorraad had tot de volgende CP. Er stond ook iemand die me met een bedenkelijke blik bekeek en afwoog of ik überhaupt verder kon gaan. Toen ik wat helderder werd en genoeg kracht had opgedaan, leken ze bij chez Ingo ook iets meer gerustgesteld. Op dat moment kwam Frank binnen (daar ontmoette ik die vreemde gozer voor het eerst). Ik vroeg hem of we samen zouden vertrekken, gewoon voor de veiligheid, omdat ik mezelf niet helemaal meer vertrouwde. Hij antwoordde dat hij zich sterk genoeg voelde om tempo te maken, maar dat hij wel even een oogje in het zeil kon houden. Of hij dat uiteindelijk gedaan heeft, geen idee. Ik had het gevoel dat hij geen zin had om babysit te spelen. Maar op dat moment gaf het me al een klein gevoel van zekerheid om samen te vertrekken. Ik begon me weer aardig op mijn gemak te voelen en kwam Onno tegen, iemand die ik de afgelopen dagen meermaals even tegen het lijf was gelopen. We staken van wal met kennismaken, wisselden verhalen uit en liepen urenlang gezellig samen. De tijd vloog voorbij, we amuseerden ons en merkten allebei dat de goesting om te finishen nog steeds enorm groot was. Wat wel opviel, was dat ik Onno op sommige momenten niet kon bijhouden wanneer het bergaf ging, mijn knie liet dat gewoon niet toe. Maar zodra het weer omhoog ging, kon ik hem weer inhalen. Zo vulden we elkaar perfect aan en hadden we allebei veel aan elkaars gezelschap. Het voelde alsof we samen sterker werden. Op een bepaald moment kwamen we Olav opnieuw tegen. Hij liep compleet scheef. Toen ik hem zo zag lopen, moest ik meteen denken aan een verhaal dat Ivo ooit meemaakte tijdens een backyard. Hij liep toen ook zo scheef omdat hij last had van een pijntje in zijn been en op die manier zijn zwaartepunt verlegde om het been te ontlasten. Uit nieuwsgierigheid probeerde ik het ook. En warempel… het werkte. Door zo scheef te lopen kon ik mijn knie wat ontlasten en voor het eerst in lange tijd was de pijn plots een stuk minder. Helaas werkte dat trucje niet op de heel steile afdalingen. Daar zat er niets anders op dan krabsgewijs de berg af te gaan. Het moet er trouwens behoorlijk komisch hebben uitgezien: twee scheve mannen die ploeterend door de modder in het bos vooruit probeerden te raken. Olav begon meer en meer snelheid te verliezen. Niet veel later kwamen Onno en ik John tegen. In het begin waren de gesprekken met hem heel positief en vloog de tijd opnieuw voorbij. Maar al snel merkten we dat hij zichzelf wat aan het vergalopperen was. Hij wilde duidelijk sneller vooruit, maar tegelijk maakte hij ook verschillende navigatiefouten, wat hem zichtbaar frustreerde. Op een bepaald moment reageerde hij zelfs wat geïrriteerd naar ons toen hij een helling op schoot en wij hem niet meteen hadden gecorrigeerd. Of het bewust was of niet weet ik niet meer, maar vanaf dat moment trokken Onno en ik weer samen verder richting CP5 en lieten we John wat achter. Onderweg raakten Onno en ik elkaar ergens toch nog kwijt. Intussen begonnen mijn voeten steeds meer op te zwellen en deden ze verschrikkelijk pijn. Toen moest ik plots denken aan iets wat Merijn ooit had gezegd: dat je soms even zonder schoenen kon lopen om je voeten wat te laten herstellen. Geen idee of dat een echt gesprek was geweest of iets dat mijn vermoeide hoofd zelf had verzonnen. Maar goed… ik besloot het te proberen. Ik trok mijn schoenen uit en liep bijna twee kilometer op mijn voeten door de modder. En geloof het of niet, na al die uren voelde dat echt zalig. Even geen druk op die blaren, geen knellende schoenen tegen die gescheurde teennagels…
Na een tijdje vond ik dat het welletjes was geweest. Ik trok mijn schoenen weer aan want mijn voetepoetekes begonnen het wat koud te krijgen. Ik trok mijn schoenen zo ver mogelijk open en liet de veters los hangen. Zo liep ik met halfopen, losse schoenen verder richting CP5. Misschien niet de meest elegante oplossing, maar op dat moment voelde het als de enige manier om mijn voeten nog wat ademruimte te geven.

Na een betere dag kwam ik uiteindelijk aan in Stoumont (CP5), met 305 kilometer op de teller en nog iets meer dan vier uur marge op de cutoff. Ik was vooral opgelucht dat ik er was, want diep vanbinnen verlangde ik naar één ding: even een dutje doen. Maar zodra ik het checkpoint binnenstapte, werd het meteen duidelijk dat rust hier ver te zoeken was. Het was er druk en chaotisch. Busjes reden voortdurend af en aan met DNF’ers. Helpers liepen overal rond, bezig met lopers op te lappen en hen moed in te spreken om toch nog verder te gaan. Hier werd een voet verzorgd, daar een pijntje bekeken. Batterijen moesten opgeladen worden voor de komende nacht, eten werd naar binnen gewerkt omdat iedereen wist dat het zwaarste stuk van de trail er nu zat aan te komen. Je voelde de spanning gewoon in de lucht hangen. Overal mensen die op hun limieten zaten, fysiek en mentaal. Het leek wel dat iedereen met wie ik de afgelopen 2 dagen of nachten samen had gelopen aanwezig was. Op dat moment wist ik meteen: hier rustig een dutje doen, dat ging gewoon niet werken.
Thuis had Lieven me ook het advies gegeven dat je niet te lang mocht treuzelen in de laatste CP want de Ninglinspo zou langzaam de overgebleven tijd beginnen weg te knabbelen. Ik nam een uur de tijd om goed te eten en op krachten te komen. In die tijd spraken we ook af om het laatste traject samen in een groepje af te leggen: Mitch, Werner, Bernhard en ik. Ze waren blij verrast toen ze mij terug zagen want ze gingen er van uit dat ik was uitgestapt en waren flink onder de indruk dat ik er nog bij was. Mitch kende ik als een goede navigator, ik had al eerder samen met hem delen van de Great Escape en de Bello Gallico gelopen. In de bossen rond de Ninglinspo wordt navigeren opnieuw cruciaal. Eén verkeerde afslag kan zomaar extra kilometers betekenen. En na zoveel uren en dagen onderweg zijn dat precies de kilometers die je mentaal eigenlijk niet meer kunt dragen. Meerdere lopers werden die nacht door het safety- team uit het bos begeleid omdat ze simpelweg niet meer wisten waar ze waren. We wisten allemaal dat het zwaar zou worden, maar samen leek het toch net iets haalbaarder.

Het segment na Checkpoint 5, Is waar “Legends” echt gesmeed worden. De euforie van het bijna klaar zijn wordt hier de kop ingedrukt door de brute realiteit van de laatste 45 kilometer. De organisatie gooit er nog een paar gemene extra’s bovenop. Het laatste stuk van het parcours heeft een heel eigen karakter. In valleien kan de temperatuur ’s nachts makkelijk richting het vriespunt zakken. Het terrein wordt er technischer, ruwer en vooral genadelozer. Telkens wanneer je denkt dat je de meeste hoogtemeters wel gehad hebt, duikt er opnieuw een sectie op met steile, modderige paden die bijna verticaal lijken. Op dat punt zijn de afdalingen vaak nog pijnlijker dan de beklimmingen. Je knieën vangen elke klap op en je voeten schuiven voortdurend tegen de voorkant van je schoenen. De vierde nacht verandert er ook iets in je hoofd. Je wereld wordt plots heel klein. De focus vernauwt zich tot de lichtbundel van je hoofdlamp. Door het slaaptekort beginnen je ogen soms hun eigen spel te spelen en liggen visuele hallucinaties voortdurend op de loer.

We verzamelden buiten, de sfeer was tegelijk gespannen en vastberaden en we begonnen er meteen stevig aan. Nog geen uur onderweg en we zaten al midden in een moeras. Het was gedeeltelijk ondergesneeuwd, waardoor je moeilijk kon inschatten waar je precies stapte. Gelukkig lagen er hier en daar vlonders, die ons een beetje houvast gaven terwijl we ons een weg zochten door het drassig terrein. Niet veel later bereikten we de Ninglinspo. Vanaf daar moesten we de rivier volgen over rotsen en kronkelende paadjes en die regelmatig oversteken via brugjes. Op een bepaald moment kwamen we aan een oversteek waar helemaal geen brug meer lag. Het water kolkte en raasde zo wild dat we het simpelweg niet aandurfden om erdoor te gaan. We besloten de rivier verder te volgen en kwamen uiteindelijk uit bij een klein hutje. Als ik het goed heb begrepen, was hier ergens een brug verdwenen, wat de route plots een stuk ingewikkelder maakte. Bij het hutje namen we even de tijd om de organisatie te bellen. Hun boodschap was duidelijk: gewoon blijven doorlopen en de rivier blijven volgen. Vanaf dat punt wordt alles voor mij een stuk waziger. Ik herinner me nog bepaalde fragmenten en losse gebeurtenissen, maar echt helder was mijn hoofd niet meer. De vermoeidheid, de constante focus begon zijn tol te eisen. Mijn hoofd werkte niet meer helder. Navigeren werd een puzzel, vermoeidheid maakte van elke beslissing een risico maar ik bleef doen wat ik kon. Blijkbaar bleef ik ondanks alles toch de juiste keuzes en beslissingen maken.
Ondertussen had Frank, die vreemde gozer van bij chèz Ingo, zich bij ons aangesloten. Hij liep al een hele tijd voor ons. Hij zat nog sterk in de wedstrijd maar was gefrustreerd omdat hij zoveel tijd verloor met het vinden van de juiste weg. Navigeren in dit gebied bleek ontzettend lastig. Na dit gedeelte bereikten we een bergflank die volledig bedekt was met een omgehakt bos! Het leek alsof een hele helling simpelweg was neergelegd met boomstammen om het ons zo moeilijk mogelijk te maken. De GPX stuurde ons kriskras naar boven, zonder dat er ook maar iets van een pad te herkennen viel. Daar begonnen we plots te beseffen dat onze tijd snel aan het wegtikken was. Achteraf denk ik dat we elkaar op dat moment een beetje zot hebben gemaakt. We gingen als gekken naar boven. We klauterden, vochten ons letterlijk een weg over de boomstammen, trokken of duwden elkaar omhoog en hielpen elkaar over de rotsen die tussen het hout verspreid lagen. Het was geen lopen meer letterlijk kruipen over de boomstammen. Omdat ik minder kracht op mijn pijnlijke knie kon zetten, moest ik veel meer druk op mijn stokken zetten om mezelf vooruit te duwen. En zo brak ook mijn tweede stok. Op een bepaald moment keek ik naar beneden. Wat ik zag tartte echt mijn verbeelding. Een tiental lichtjes verspreid over heel de bergflank, allemaal kriskras omhoog kruipend, vechtend tegen dezelfde chaos van omgehakte bomen. Het leek bijna surrealistisch. Toen we uiteindelijk boven kwamen, waren we fysiek compleet gesloopt en gingen we op zoek naar het pad. Alleen… dat was er niet. Er was geen spoor, geen markering, geen duidelijk traject. We hadden enkel een richting waarin we verder moesten. Op een gegeven moment gebeurde er iets dat me compleet uit mijn concentratie haalde. Frank liep langs mij… een steile helling omhoog… met een sigaret in zijn mond… Ik kon dat beeld echt niet vatten. Daar stonden wij allemaal te vechten tegen vermoeidheid, koude, pijnlijke spieren en een hoofd dat steeds trager begon te werken. En hij? Hij zag er nog verrassend sterk uit. Geen vermoeide blik, geen geklaag over pijntjes. Gewoon rustig omhoog, alsof het allemaal nog wel meeviel. In mijn hoofd begon dat beeld te knagen. Dit klopte niet dacht ik. En vanaf dat moment begon mijn vermoeide brein vreemde sprongen te maken. Terwijl we verder de helling op trokken, begonnen er allerlei complottheorieën in mijn hoofd te ontstaan. Ik had mezelf er op den duur zelfs van overtuigd dat Frank misschien helemaal geen gewone deelnemer was. Volgens mijn redenering die op dat moment verrassend logisch leek, moest hij iemand van de organisatie zijn. Iemand die was meegestuurd om ons in de gaten te houden. Om te controleren of we elkaar wel genoeg ondersteunden. Of we de veiligheid van onszelf én van de anderen in de groep konden blijven garanderen. Het leek mij plots perfect te passen: hij was fysiek sterk, leek nauwelijks vermoeid en hield zich vaak een beetje op de achtergrond terwijl hij alles observeerde. Achteraf gezien is het lachwekkend hoe mijn brein dat verhaal compleet bij elkaar fantaseerde. Net voordat we opnieuw bij de Ninglinspo zouden uitkomen, ging het mis met mijn hoofdlamp. Plots viel mijn licht uit. In een donkere, technische trail in het midden van de nacht, is dat ongeveer het laatste wat je wil meemaken. Ik wist amper nog wat ik aan het doen was. Zelfs zoiets eenvoudigs als mijn eigen batterijen vervangen lukte me niet meer. Mijn handen deden wel iets, maar mijn hoofd leek niet meer te volgen. Frank merkte het en kwam me helpen. Hij deed mijn trailvest open om te kijken of er ergens reservebatterijen zaten. Tot zijn verbazing vond hij daar niet alleen een hele lading aan reservebatterijen, maar ook vier verschillende hoofdlampen. Vier! Alleen… niemand wist op dat moment nog welke batterijen bij welke lamp hoorden en ik kreeg mijn hoofdlampen niet meer aan de praat.. Het was complete chaos in mijn hoofd. Mijn coach had me voor de derde nacht nog één ding extra ingeprent: zorg dat je nooit zonder licht valt. Dat advies had ik blijkbaar heel letterlijk genomen. Naar het schijnt was ik onderweg reserve lampen beginnen verzamelen van andere deelnemers, gewoon om zeker te zijn dat ik niet zonder licht zou vallen. Frank wilde ondertussen graag verder. Hij gaf me daarom ook nog eens zijn eigen reservelamp en een cafeïnepil. Alleen was ik ondertussen zo ver heen dat ik er zelfs niet meer in slaagde die op mijn hoofd te zetten. Toen Frank even later over zijn schouder keek, zag hij iets wat perfect samenvatte hoe ver ik op dat moment mentaal zat. Ik had de lamp niet op mijn hoofd gezet. Ik had ze gewoon aan mijn stok vastgebonden. En zo liep ik verder. Met mijn wandelstok als geïmproviseerde zaklamp, ergens diep in de nacht, rond de Ninglinspo. Achteraf gezien moest Frank er waarschijnlijk hard om lachen, maar op dat moment was het gewoon een bizarre situatie midden in de nacht.

De Ninglinspo werd ondertussen een psychologisch slagveld. Het rustgevende geklater van de middag is veranderd in een angstaanjagend, oorverdovend gebrul. Communiceren met je medelopers was moeilijker geworden. In het flauwe schijnsel van mijn hoofdlamp was mijn zicht beperkt tot slechts enkele meters. Wat overdag een duidelijk pad was, was nu een doolhof van duizenden bruggetjes, stenen, misleidende zijstroompjes en verwarrende markeringen. Zelfs de lopers die het gebied op hun duimpje kennen, werden hierdoor in de war gebracht. De adrenaline houdt de slaap weliswaar even op afstand, maar diezelfde rush zorgt ook voor overhaaste, vaak foute navigatiebeslissingen. De tracking-data van de 21 finishers spreken boekdelen: waar de lijnen normaal strak en doelgericht zijn, beginnen ze bij de Ninglinspo te dansen. Het zijn chaotische cirkels en zwabberende lijnen van atleten die op het randje van hun kunnen balanceren. Eén misstap op een gladde brug of een verkeerde greep tijdens een klim kan hier fataal zijn voor je race. Frank besefte dat ook. Op een gegeven moment zei hij dat we de rivier niet langer meer apart zouden oversteken. Vanaf nu zouden we het samen doen in één lijn. We hoopten als iemand zou uitglijden of door de kracht van het water gegrepen zou worden, we snel genoeg konden reageren om te helpen.

Uiteindelijk kwamen we aan in Remouchamps bij de volgende tijdsregistratie. Het was geen grote post, maar gewoon een camionette die bij een bushokje stond opgesteld. Nick stond daar te crewen samen met nog iemand anders. Ze hadden een ketel warme soep op een gasvuurtje staan en hadden deze in het bushokje geplaatst zodat we er even konden schuilen en opwarmen. Iedereen was moe, half in gedachten verzonken en duidelijk niet meer helemaal scherp. Nick merkte al snel dat er bij ons niet meer zo veel helderheid in het hoofd zat. Hij stak er een beetje de draak mee en amuseerde zich duidelijk met onze vermoeide reacties. Werner had ergens onderweg gehoord dat je hier pannenkoeken kon krijgen. En dat idee had zich blijkbaar stevig in zijn hoofd genesteld. Heel de tocht langs de Ninglinspo had hij er al over zitten dromen. De mythe van de pannenkoeken.
De teleurstelling was dan ook groot toen bleek dat er geen pannenkoeken meer gebakken konden worden. Eén van de crewleden had de eieren gebruikt om omeletten mee te maken. Nick zei half lachend dat hij wel een andere verrassing voor ons had… zolang we het maar niet tegen Tim zouden vertellen. Wat die verrassing bleek te zijn? De overschot van zijn koude, slappe frieten. Volgens mij gaf hij die aan Mitch en Werner. Maar die kregen nauwelijks één frietje naar binnen gewerkt. We waren allemaal zo uitgeput dat we daar eigenlijk veel langer bleven zitten dan nodig was. En eigenlijk viel er op deze post ook niet veel te winnen. Frank had al een paar keer voorzichtig geopperd dat het misschien tijd werd om verder te gaan. Maar er kwam weinig reactie. Iedereen bleef gewoon zitten. Hij drong aan om echt te vertrekken. En hij had gelijk. Als we nu te lang bleven treuzelen en er onderweg nog iets zou gebeuren, dan kon het serieus tegensteken. Plots kwam er weer beweging in de groep. Als ik nu terugkijk op de tracking-data van de Legends Trail valt één ding direct op: de meedogenloze selectie na Checkpoint 5. Terwijl wij de laatste 21 kilometer in de benen probeerden te krijgen, voltrok zich achter ons een stil drama. Slechts drie lopers die na ons vertrokken waren op
CP5, hebben de cutoff van de tijdsregistratie op tijd gehaald. De Ninglinspo heeft zijn naam weer alle eer aan gedaan.. Het is een harde realiteit die de Legends Trail zo uniek én berucht maakt. CP5 is vaak de plek waar je de balans opmaakt en voor belangrijke beslissingen staat. Maar de klok stopt voor niemand. Terwijl wij de strijd aangingen met het kolkende water van de Ninglinspo, haalde de tijd de rest van het veld in. De marge was plots flinterdun. Een navigatiefoutje hier, een net iets te lange ’trail-napje’ daar, en je droom spat uiteen.

Yes! Nog een halve marathon en we zijn er! Gewoon even een laatste zondagsloopje rond de kerk en die medaille is binnen. We waren nog maar net vertrokken of mijn brein trok de stekker eruit. Frank vertrok weer als een beest. Mijn hersenen, inmiddels volledig gefrituurd door het slaaptekort, konden het niet meer verwerken. Wat doet hij hier? Waarom loopt hij van ons weg? Elke logica was verdwenen. Wat volgde was een parcours dat werkelijk nergens op sloeg. Gladde, kronkelende singletracks die tergend langzaam omhoog en omlaag slingerden. Bij elke stap voelde ik een helse steek in mijn knie. Ik geloof dat ik het hele bos bij elkaar heb gebruld. En van Werner mochten ze ondertussen hun pannenkoeken in hun gat steken. Alles begon er hetzelfde uit te zien. Ik was er heilig van overtuigd dat we in cirkels liepen, gevangen in een eindeloze lus.
Toen doken de complottheorieën weer op..
In mijn hoofd was dit geen race meer, maar een persoonlijke strafexpeditie van organisator Tim. Ik wist het zeker:

De Dropbag-wraak: Tim strafte me omdat mijn dropbag bij het inchecken een halve kilo te zwaar was.

De GPX-sabotage: Ik dacht dat ik een andere, zwaardere route had gekregen omdat mijn noodcontact niet had opgenomen toen de organisatie (in mijn verbeelding) belde.

De Drinken-zonde: De hele groep werd gestraft omdat ik drinken in mijn dropbag had gestoken en dat egoïstisch voor mezelf had gehouden.

Het Bier-incident: Ik was het biertje vergeten mee te nemen dat ik bij het inchecken moest afgeven. In mijn hoofd moest nu het hele groepje boeten voor mijn vergeetachtigheid. Elke helling was een herinnering aan de ontbrekende pint.

De Slaap-sanctie: Ik dacht dat ik de veiligheidsregels aan mijn laars had gelapt door de ‘verplichte’ minimumslaap over te slaan. Ik was ervan overtuigd dat de organisatie me nu als straf extra tijd liet lopen om me zo alsnog tot rust te dwingen.

Het GSM-misdrijf: Mijn gsm was leeg. In mijn kop was rondlopen met een platte batterij een zware overtreding van het reglement. Ik wist het zeker: Tim zag mijn batterijpercentage op afstand en liet me nu als boetedoening nóg meer zinloze lussen lopen.

De Checkpoint-Reset (5.1): De klok werd genadeloos terug op nul gezet. De voorbije honderden kilometers waren nodig om de kudde lopers uit te dunnen. De klok startte opnieuw vanaf het moment dat je het checkpoint verliet. Een schone lei voor iedereen die nog rechtstond. Als mijn achtervolgers deze laatste etappe sneller zouden lopen, konden ze me op papier nog inhalen in het eindklassement.

En zo ging het maar door en door.. Op een gegeven moment was de maat vol en had ik het echt gehad. Ook veranderde ik in een kleutertje dat bij de hand genomen moest worden. Terwijl mijn medelopers doodmoe in hun eigen gedachten verzonken waren, begon ik te raaskallen. Ik vuurde de ene na de andere zinloze vraag op hen af. Ik bleef stilstaan, ging in discussie, begreep er simpelweg niets meer van. Wat deden we hier? Wat was in godsnaam het nut van deze lijdensweg? In mijn hoofd was er nog maar één uitweg. Ik wilde bellen, maar mijn gsm was dood. Mijn vingers tastten naar de noodknop van de tracker. Ik wilde drukken. Niet om te stoppen, maar om iemand van de organisatie te spreken. Ik moest horen waarom de hele groep door mijn fouten gestraft werd. Mitch kon me net op tijd weerhouden. En zo werd ik voor de tweede maal gered van een DNF.
Ik merkte dat mijn metgezellen zich aan me begonnen te irriteren, en eerlijk gezegd gaf ik ze geen ongelijk. Ik was een blok aan hun been, constante onrust in een groep die zelf ook op het tandvlees liep. Maar toch lieten ze me niet vallen. Dat is iets wat me nu, terwijl ik dit schrijf, nog steeds enorm aangrijpt. Toen ik hen later vroeg waarom ze me niet gewoon achterlieten, was hun antwoord “Thijs, hoe diep jij aan het gaan was… jij verdiende het gewoon om die finish te halen. Jij hebt ons op andere momenten ook geholpen!” Ondanks die onvoorwaardelijke steun blokkeerde ik op een gegeven moment volledig. Ik bleef weer staan en ging zitten op een muurtje. Boos, gefrustreerd en totaal gedesoriënteerd. Ik had geen flauw benul meer van wat we aan het doen waren, waarom we daar liepen of hoe lang dit nog zou duren. Ik staarde alleen maar wezenloos naar mijn GSM, hopend op een antwoord dat het scherm me niet kon geven. Toen greep Bernhard in.
Hij begreep dat empathie op dat moment niet meer werkte, ik had een harde hand nodig. Hij liep naar me toe, pakte mijn GSM uit mijn handen en zei op een toon die geen ruimte liet voor discussie: “Als je dit ding terug wilt, dan moet je mij volgen. Tot aan de finish. Ik was kwaad, compleet in de war, maar ik had geen keuze. Urenlang ben ik stomverbaasd en zwijgend achter hem aan gelopen. Ik was zo ver heen dat ik zelfs de helse pijn in mijn knie niet meer voelde. Eindelijk kwam de zon op en Mitch verbrak de uren stilte met de woorden : Mannen… ik weet niet of jullie het beseffen, maar we zijn er bijna. Nog twee kilometer en we zijn binnen. Deze woorden hadden onmiddellijk impact op Werner. Werner zakte letterlijk als een pudding in elkaar. Alsof zijn lichaam plots toestemming kreeg om los te laten. Al die tijd had hij ongelooflijk hard gevochten. Kilometer na kilometer had hij op puur karakter gelopen, zichzelf vooruit geduwd. Terwijl Werner daar zijn emotionele ontlading beleefde, staarde ik hem alleen maar aan. Er drong niets tot me door. Mijn hersenen waren al lang geleden gestopt met werken. Ik snapte er nog steeds helemaal niets van. Voor mij was er geen “bijna binnen”.
Het was een bizar schouwspel: de ene man die instortte van opluchting, en ik die erbij stond als een zombie. We waren nog maar een paar kilometer verwijderd van de finish, maar in mijn hoofd was ik nog steeds mijlenver weg. We moesten Werner nog een hele tijd ondersteunen maar na een poosje ging het terug beter met hem. Toen we de laatste bocht omgingen en de finish in zicht kwam, barstte het gejuich los. Een hele groep enthousiaste mensen stond ons op te wachten, klappend en schreeuwend. Maar vreemd genoeg deed het me niets. Geen ontlading, geen vreugde, geen traan. Ik keek naar de menigte en was er heilig van overtuigd dat dit de laatste mentale test was. Zelfs toen Tim de zware medaille rond mijn nek hing drong het niet tot me door. In mijn hoofd was de opdracht nog niet voltooid. Ik wist het zeker, ik moest de tracker nog ergens naar een afgelegen bergtop brengen om hem officieel in te leveren. Terwijl de andere finishers in elkaar zakten of hun familie omhelsden, begon ik me weer klaar te maken voor de volgende etappe. Ik ging zitten, trok mijn natte kousen en schoenen uit, trok droge aan en stond weer op. Rugzak om. Klaar om te vertrekken. Mijn ouders keken me vol ongeloof aan. Ze probeerden me bij mijn verstand te brengen maar ik luisterde niet. Ik moest door. Nick kwam naar me toe en duwde me in een stoel. Hij greep de medaille die om mijn nek hing, dwong me ernaar te kijken en zei de magische woorden

“Thijs, voel dit. Kijk naar mij. Je bent een Legend. Je hebt het gehaald. De race is afgelopen…”

Pas op dat moment, begon de realiteit heel langzaam binnen te sijpelen.

Het gevecht na de finish : Ik dacht dat ik na de finish als een blok in slaap zou vallen. Dat mijn lichaam, na 350 kilometer pure uitputting, eindelijk rust zou vinden. Maar de realiteit was anders. We zijn nu ruim twee weken verder en de Legends Trail laat me nog steeds niet los. Meerdere keren per nacht schrik ik wakker, badend in het zweet. In mijn dromen ben ik nog steeds onderweg, vechtend tegen de modder, mezelf aan het pushen naar het volgende checkpoint. Mijn knie steekt weer, mijn spieren spannen zich aan en dan schiet ik wakker in de zetel. Ik mag van Nathalie nog steeds niet bij haar in bed slapen zolang ik in deze staat verkeer. De begindagen waren een aaneenschakeling van microslaapjes en bizarre hersenspinsels. Het kwam voor dat ik midden in een gesprek vijf seconden wegviel om daarna direct verder te praten over iets totaal anders. En mijn maag is veranderd in een bodemloze put. Er lijkt geen einde te komen aan de nood om te ‘boefen’. Mijn nachten worden erdoor onderbroken omdat mijn lichaam schreeuwt om calorieën. Omdat ik mijn knie niet meer kon plooien en mijn voeten dringend moesten herstellen, bracht ik de uren in de zetel door. Niet zonder reden, want mijn voeten hadden het zwaar te verduren gekregen: twee afgescheurde teennagels, twee ontstoken tenen die een antibioticakuur nodig hadden, en stukken huid van mijn voeten die letterlijk losgekomen waren. Toch bleek die rust achteraf niet de beste strategie. Door zoveel stil te zitten, leek mijn herstel net vast te lopen. Na een week had ik nog altijd geen mobiliteit in mijn linker knie.
Pas toen ik voorzichtig weer op de fiets kroop (zodra mijn voeten niet meer gezwollen waren en ik mijn schoenen terug aankreeg) , begon het ietsje beter te gaan. Ook de sportmasseur speelde daarin een belangrijke rol. Wanneer hij mijn spieren stevig onder handen nam, voelde ik hoe alles opnieuw begon te circuleren. Mijn knie verkrampte nog steeds ‘s nachts maar na een paar uurtjes rondslenteren, kwam deze geleidelijk weer los. Ik had nooit gedacht dat een mens zóveel herstel nodig zou hebben. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Er gaat geen uur voorbij zonder dat mijn gedachten terugkeren naar de Legends Trail. Meer en meer herinneringen beginnen terug te komen en ik merk dat ik nood begin te krijgen aan gesprekken met mijn mede-Legends lopers. Want hoe ik het ook probeer uit te leggen aan de mensen om me heen, enkel zij weten wat zich werkelijk heeft afgespeeld tijdens die eindeloze dagen en nachten in de Ardennen. Enkel zij begrijpen waarom een deel van mij nog steeds daar in het bos loopt, zoekend naar het volgende checkpoint.
Enkel zij begrijpen waarom de race voor ons nog steeds niet helemaal voorbij is.

De Balans: Als ik dit verslag nu zelf teruglees, klinkt het als één langgerekte lijdensweg.
En toch ben ik er zeker van dat er ook mooie, warme en zelfs leuke momenten waren. Maar blijkbaar kiest mijn brein er op dit moment nog voor om de obstakels op te sommen. Nu ik de kans heb gehad om met een aantal medelopers te spreken begint de mist in mijn hoofd op te trekken. We lachen om mijn verwarde kop op de trail en de absurde complotten in mijn hoofd. Er ontstaat eindelijk een besef van fierheid en trots. De euforie sijpelt langzaam binnen, al kan ik het soms nog steeds moeilijk vatten. Als ik objectief terugkijk op mijn avontuur, zie ik dat ik steeds de juiste beslissingen heb genomen, zelfs wanneer het fysiek of mentaal diep onder nul ging. Maar ik moet eerlijk zijn: die laatste 21 kilometer heb ik ontzettend veel geluk gehad. Ik vertoefde in zulk fantastisch gezelschap dat zij de motor werden toen de mijne definitief was afgeslagen. Op de Legends Trail finish je niet omdat alles goed gaat. Je finisht omdat je jezelf blijft pushen, omdat je de juiste mensen op het juiste moment tegenkomt, en dankzij de waanzinnige crew die er alles aan doet om je op te lappen en weer op de been te krijgen.

De Legends Trail test wie je bent en wanneer alles afbrokkelt.

350 kilometer lang werden we gestript van comfort, van ego en van elke vorm van zekerheid.
Alle maskers vielen af. Wat er op het einde overbleef was zo puur. Met sommige deelnemers heb ik amper drie woorden gewisseld, en toch heb ik het gevoel dat we een band hebben voor de rest van ons leven.

Ik ben een Legend. En deze keer, terwijl ik naar de medaille kijk, besef ik het echt!